Dutch Lesson Online 13 of 18
In Progress

Dutch Expressions for Daily Use

Dutch Lesson Online
Materials

Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

English Dutch
Hello. Hallo.
Good day. Goedendag.
Good morning. Goedemorgen.
Good afternoon. Goedemiddag.
Good evening. Goedenavond.
Good night. Goedenacht.
How are you? Hoe gaat het met u?
I am well. Het gaat goed met mij.
Thank you. Dank u wel.
You’re welcome. Graag gedaan.
Please. Alstublieft.
Pardon me. Neem mij niet kwalijk.
Sir or Mr. Meneer.
Madam or Mrs. Mevrouw.
Miss. Juffrouw.
My name is ___. Mijn naam is ___.
What is your name? Wat is uw naam?
Come in. Kom binnen alstublieft.
Sit down. Gaat u zitten.
Sit here. U kunt hier zitten.
Sit there. U kunt daar zitten.
Are you ___? Bent u ___?
Are you hungry? Heeft u honger?
Are you thirsty? Heeft u dorst?
Good bye. Tot ziens.
See you again. Tot ziens.
See you later. Tot later.
See you tomorrow. Tot morgen.
Good luck. Veel succes.
Yes. Ja.
No. Nee.
Maybe. Misschien.
Certainly. Zeker.
Doubtless. Ongetwijfeld.
I don’t know. Ik weet het niet.
I think so. Ik denk het.
I don’t thinks so. Ik denk het niet.
What languages do you speak? Welke talen spreekt u?
Do you speak ___? Spreekt u ___?
Dutch? Nederlands?
French? Frans?
German? Duits?
Flemish? Vlaams?
Chinese? Chinees?
I speak ___. Ik spreek ___.
I don’t speak well. Ik spreek niet goed.
I don’t understand Ik begrijp het niet.
Please speak slowly. Kunt u langzaam praten, alstublieft?
Do you understand? Begrijpt u het?
What? Wat zegt u?
Please repeat. Kunt u dat herhalen?
What do you call this? Hoe noemt u dit?
What is this? Wat is dit?
What is that? Wat is dat?
Wait a moment. Wilt u een moment wachten, alstublieft?
Come with me. Wilt u met mij meekomen, alstublieft?
___ wants to see you. ___ wil u zien.
I want to ask you questions. Ik zou u wat vragen willen stellen.
Show me. Laat mij eens zien.
Write it down. Kunt u het opschrijven?
Write the number. Kunt u het nummer opschrijven?
Point to the answer in this book. Kunt u het antwoord aanwijzen in dit boek?
Draw a picture of it. Kunt u er een tekening van maken?
Tell the truth. Kunt u de waarheid vertellen ?
You will not be hurt. U zult niet worden gekwetst.
You will be rewarded. U zult worden beloond.
What nationality are you? Wat is uw nationaliteit?
Are you ___? Bent u ___?
French? Frans?
German? Duits?
Belgian? Belg?
Chinese? Chinees?
Are you from this region? Komt u uit deze regio?
Where are you from? Waar komt u vandaan?
I am from ___. Ik kom uit ___.
Where do you live? Waar woont u?
I live in ___. Ik woon in ___.
Where are you going? Waar gaat u heen?
I am going to ___. Ik ga naar ___.
Where are your friends? Waar zijn uw vrienden?
Are they ___? Zijn ze ___?
Are they near? Zijn ze dichtbij?
Are they far? Zijn ze ver weg?
Show your identification. Kunt u uw legitimatie laten zien?
Where is your ___? Waar is uw ___?
Where is your manager or supervisor? Waar is uw manager of leidinggevende?
Where is your family? Waar is uw familie?
Where is your father? Waar is uw vader?
Where is your mother? Waar is uw moeder?
Where is your husband? Waar is uw man?
Where is your wife? Waar is uw vrouw?