Dutch Lesson Online 27 of31
In Progress

Dutch words: Travel

Dutch Lesson Online
Materials

Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

Dutch English Dutch English
Reizen (n.) Travel, to travel De reis Trip, journey
Het ticket Ticket De koffer Suitcase
Inpakken To pack Uitpakken To unpack
Het paspoort Passport Geldig Valid
Het buitenland Abroad De buitenlander Foreigner
De grens (pl. Grenzen) Border De douane Customs
De douanebeambte Customs officer Aangeven To declare
Smokkelen To smuggle Het wisselkantoor Exchange office (money)
Wisselen To change (money) Oversteken To cross (border)
De pasfoto Passport photo Uitgereikt Issued
De verblijfsvergunning Residence permit Verlopen To expire, expired
Het visum Visa Het vliegtuig Plane
Vliegen To fly De gezagvoerder, piloot Pilot
De steward(ess) Steward(ess)
De bemanning Crew Het vliegveld Airport
Opstijgen To take off Landen To land
Inchecken To check in Het straalvliegtuig Jet