Dutch Lesson Online 26 of 32
In Progress

Dutch words: Shopping

Dutch Lesson Online
Materials

Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

Dutch English Dutch English
Winkelen To do shopping Boodschappen doen To go shopping
(bij) de slager (at) the butcher De kruidenier Grocer
De groetenboer Greengrocer De slijter(ij) Liquor store
De apotheek Pharmacy De supermarkt Supermarket
(af)leveren To deliver (aan) de kassa (at) the cash register
Contant betalen To pay cash Het kleingeld change
De korting Discount De reclame Advertisement
De aanbieding Special (offer) De bon, het bonnetje The receipt
Ruilen To exchange
Inruilen To trade in De winkelier Shopkeeper
De klant Customer Bedienen To serve (customer)
De toonbank (display)counter De balie Counter
De weegschaal Scales Het ons 100 grams
Het pond Pound (i.e. 500 grams) De kilo Kilo
Het zakje Paper bag Het blik Tin can
De draagtas (plastic)carry bag De boodschappentas Shopping bag
De verpakking Pack(ag)ing De doos Box (cardboard)
Inpakken To wrap (up) Het touw String, rope
Het plakband Adhesive tape De lijm Glue
Lijmen To glue Netto Net
Bruto Gross De kleinhandel Retail trade
De groothandel Wholesale trade De grossier Wholesaler
De handelaar Dealer De uitverkoop Sale
Het koopje Bargain, good buy Afdingen To haggle, bargain
Het restaurant Restaurant De kelner, ober Waiter
De serveerster Waitress De rekening Bill
Afrekenen To pay, settle the bill De kok(kin) Cook (fem.) chef
De fooi Tip De bediening Service