Dutch Lesson Online 24 of 32
In Progress

Dutch words: Religion

Dutch Lesson Online
Materials

Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

Dutch English Dutch English
De kerk Church De kerkdienst Church service
De dominee (protestant) minister De pastoor (catholic) priest
Preken To preach De preek Sermon
De preekstoel, kansel Pulpit De Bijbel Bible
Het gezang Hymn Het koor Choir
Het schip Aisle, nave Het altaar Altar
Het doopvont Font Dopen To baptise, christen
Het geloof Faith, belief Geloven To believe
Gelovig Religious De dom, kathedraal Cathedral
De kapel Chapel (de) God (the) God
De monnik Monk De non Nun
De abt Abbot De abdij Abbey
Het klooster Monastery Het nonnenklooster Nunnery
De (aarts)bisschop (arch)bishop Het bisdom Bishopric
De moeder-overste Mother superior Biechten To confess (only in church)
De biechtstoel Confessional Vergeven To forgive
De genade Mercy De zonde Sin
Zondigen To sin De hel Hell
De hemel Heaven De duivel Devil
De engel Angel Het avondmaal Holy communion
De christen (pl. -en) Christian (adj.) De moslim Muslim (adj.)
De jood(s) Jew (Jewish) De vloek Curse
Het vloekwoord Swearword Vloeken To swear, curse
De ziel Soul De wierook Incense