Dutch Lesson Online 20 of 32
In Progress

Dutch words: Natuur

Dutch Lesson Online
Materials

Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

Dutch English Dutch English
De eik, eikenboom Oak, oak tree De eikel Acorn
De beuk, beukeboom Beech, beech tree De iep, iepenboom Elm, elm tree
De es Ash De populier Poplar
De dennenboom, naaldboom Pine tree, conifer De dennenappel Pine cone
De loofboom Deciduous tree Het loof Foliage
De wilg Willow De treurwilg Weeping willow
De ahorn Maple De palm(boom) Palm(tree)
De kokospalm Coconut palm De kokosnoot Coconut
Het bamboe Bamboo De varen Fern
De struik Shrub, bush De roos Rose
De anjer Carnation Het viooltje Violet, pansy
Het vergeet-me-nietje Forget-me-not Het madeliefje Daisy
De paardenbloem Dandelion De klaproos (papaver) Poppy
De zonnebloem Sunflower De chrysant Chrysanthemum
De gladiool Gladiolus De bol Bulb
De bollenvelden Bulb fields De tulp Tulip
De narcis Daffodil De hyacint Hyacinth
De geur Scent Het blad (pl. -eren) Leaf
De stam Trunk De tak Branch
De stengel Stalk, stem Water geven To water
De rododendron Rhododendron De camelia Camellia
De geranium Geranium Het onkruid Weed (also collective)
De distel Thistle De cactus (pl. -sen) Cactus (cacti)
De hei Heather, heath, moorland De brandnetel (stinging) nettle
Het mos Moss De klaver Clover
De klimop Ivy De orchidee Orchid
De hortensia Hydrangea De azalea Azalea
De kamerplant Indoor plant, house plant De bloempot Flowerpot
Groeien To grow (intr.) Kweken, telen To cultivate, grow (tr.)
De mest Manure, fertiliser, dung Bemesten To fertilise
Wieden To weed