Dutch Lesson Online 10 of 32
In Progress

Dutch words: Money & Finance

Dutch Lesson Online
Materials

Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

Dutch English Dutch English
De munt Coin Het bankbiljet Banknote (formal)
Het briefje Banknote Het pond Pound
De cent Cent De dollar Dollar
De prijs Price Betalen To pay
Kopen To buy Verkopen To sell
Het kleingeld Change Kleinmaken Change into smaller amount
De belasting Tax Belasten To tax
De BTW VAT (Value Added Tax) De hypotheek Mortgage
Lenen To lend, borrow De lening Loan
Afbetalen To pay off De rente Interest
Uitgeven To spend (money only) Besteden (aan) To spend money (on) (money and time)
Verdienen To earn Financieren To finance
De subsidie Subsidy Subsidiëren To subsidise
Het rekenen Arithmetic Optellen To add up
Aftrekken To subtract Vermenigvuldigen (met) To multiply (buy)
Delen (door) To divide (by) Uitrekenen To work out, calculate
Het rekenmachine Calculator 4 en /plus (min)2 is? 4 and/ plus (minus) 2 equals?
(op) de bank (at) the bank De spaarrekening Savings account
De lopende rekening Current account Sparen To save
Het spaarboekje Savings book De spaarpot Money-box
Storten To deposit Opnemen To withdraw
De cheque Cheque Uitschrijven To write out (a cheque)
(onder)tekenen To sign De handtekening signature